GRIJS VERLEDEN
 
Mijn 'Grijs verleden' artikelen in het gratis maandblad voor het dorp Wierden, Magazine Wierden.
 

Boodschappen doen

De opvallende elektrische bezorgbusjes van o.a. Albert Heijn, Jumbo en Picnic, de supermarkt op wielen, rijden de hele dag af en aan. Sinds corona blijken mensen het toch wel gemakkelijk te vinden dat hun boodschappen bij de voordeur worden afgeleverd. Iets van deze tijd? Nee, toch niet. 
 
Uit mijn grijs verleden herinner ik mij hoe kruideniers bij ons thuis kwamen om de boodschappen op te nemen. Dasselaar (de buurman van mijn moeder toen ze nog in haar ouderlijk huis woonde) van de Vivo aan de Rijssensestraat. Beter herinner ik mij dat Marinus Roelofs onze schuin tegenover buurman van zijn VéGé, ik denk, op maandagochtend bij ons aan tafel ging zitten. In een boekje schreef hij de boodschappen op die mijn moeder dicteerde. Enkele dagen later bezorgde hij dan de boodschappen. Je gunde je buurman dat hij de boodschappen bij je bezorgde, ook al waren er dat meestal niet zoveel. Immers, in het dorp had je meerdere winkels groot en klein waar je terecht kon voor het dagelijks eten en drinken.
 
Toen Marinus niet langer meer bij ons thuis kwam, moest ik wekelijks onze vaste boodschappen bij hem in de winkel halen. Die schreef mijn moeder of ik zelf in het boekje. Steevast stond daarin Saroma. Met de poeder uit dit pakje maakte je in een handomdraai knalroze, -gele of bruine pudding. Die vond ik echt wel lekker. Ik mocht de smaak kiezen. Dat werd meestal iets van aardbeien. Melk hadden we genoeg. Die haalde ik drie keer in de week in flessen op bij mijn ooms en tantes Broeze - Van der Kolk aan de Nijverdalsestraat. Ik kon mijn moeder de oren van haar hoofd zeuren als ik vond dat er weer een Verrassingspakket (in zo’n grijs pak met rode strik) gekocht moest worden. Niet dat ik deze gekookte pudding met een groot vel erop lekker vond, integendeel, maar natuurlijk vanwege dat verrassingsspeeltje wat erin zat. 
 
Venters van de melkfabriek kwamen door de straten met hun bijzondere karretje met ‘mechanische hond’ met vooral bussen melk en karnemelk. Met een maatkannetje deed hij de melk in jouw eigen meegenomen melkkoker. Voor de groente- en fruitwagen van Van Dijk uit de Stationsstraat liep je eveneens voor naar de straat. Ook bakkers, zoals de altijd-voor-een-grapje-te-vinden bakker Veneman uit de Kerkhofstraat met zijn VW kever, bezorgden brood aan huis.  
 
In het dorp had je nog van die echte kruidenierswinkels, zoals die van Centra Van de Riet aan het Burg. J.C. van den Bergplein. Met de komst van de zelfbedieningswinkels veranderde het winkelgedrag helemaal. ‘Riek van de Spar’ zette met haar eerste Wierdense supermarkt jarenlang de toon in het dorp. Eerst aan de Kruissteenweg en later aan de Marktstraat. Wat was het altijd druk in de winkel! Niet raar dus dat er een concurrent bij kwam, Gegro aan de Nijverdalsestraat. Met scherpe aanbiedingen en een stuntprijs van 1 kilo suiker voor 89 guldencent werden klanten de eerste week gelokt.
Onze buren Marinus en Dinie Roelofs gingen ondanks meerdere moderniseringen tevergeefs de strijd aan. Uiteindelijk verbouwden ze hun winkel, breidden zelfs flink uit. Er kwamen winkelwagentjes. Het werd een heuse ‘Tast Toe zelfbediening’, maar hoe goed zij ook hun best deden, ze verloren de strijd en sloten hun winkel. Van Dinie blijf ik mij herinneren hoe zij nog heel lang de prijzen in ons boodschappenboekje schreef en ze daarna altijd uit haar hoofd optelde. De kassa met rekenmachine stond er voor de jonge kassière medewerkster. 

De talrijke winkeltjes voor het dagelijks eten verdwenen, grote en nog grotere kwamen er voor terug. En allemaal mooi ingericht met een vaak veel te uitgebreid assortiment. Het "mag het een onsje meer” horen we niet meer als we vlees uitzoeken uit de grote diepvriesbakken en koelkasten. We kunnen nu zelf uitzoeken hoeveel we willen en wat we ervoor willen betalen.
De keuze is reuze.Aanvankelijk met de nodige scepsis bekeken, gingen veel consumenten overstag en online bestellen werd voor hen een routine. Het heeft niet mijn voorkeur. Ik doe de boodschappen liever zelf en als ik even wat langer bij de kassa moet wachten vind ik dat ook helemaal niet erg. Met een voor mij groeiend grijs verleden heb ik langzaamaan alle tijd. 
 

 
 
 

Wierden ‘De Poort van Twente’
 
Toen Rijssen in 1972 de slogan ‘De Poort van Twente’ van Wierden afpakte, was ik daar best heel boos om. Zonder enig vooronderzoek liet burgemeester Smit van Rijssen deze slogan met logo op briefpapier, stickers, viltjes, buttons en suikerzakjes zetten.
 
Dat vond ik heel raar, want hoorde die slogan ineens niet meer bij Wierden? Ik had die immers gezien op VVV-folders. En in de Overijsselse reisgidsen stond het in de jaren 50 al vermeld. Hoe haalden ze het in het gemeentehuis van Rijssen toch in hun hoofd om deze slogan van Wierden af te pakken? Ik wist dat de gemeente Wierden niet heel actief was in het gebruik van deze slogan, maar dan nog.

In een ingezonden brief in Dagblad van het Oosten én in een brief aan Smit verwoordde ik mijn ongenoegen. Ik citeerde de bekende Twentse geschiedschrijver Mr. G.J. ter Kuile sr.: "Het Schottenhuys nu was van oudsher het eenige logement van het kleine dorp, juist gelegen op het punt waar twee oude heerwegen zamen kwamen en toegang gaven tot de heerlijkheid Almelo en tot Twenthe”. Precies op dit punt stond een tolboom van Huize Almelo. Voordat men Twente uit de richting Deventer of Zwolle binnenging, moest men eerst geld betalen bij de tolboom. Een poort midden in Wierden gaf toegang tot Twente.
 
Smit antwoordde: "De waarde en de waarheid van de geschiedschrijving te erkennen en niet te bestrijden, betekent evenwel niet dat men het oog gesloten moet houden voor de hedendaagse ontwikkeling. Deze ontwikkeling heeft tot gevolg gehad dat een nieuwe heerbaan, namelijk de befaamde E-8 autoweg is aangelegd, die met zijn afrit bij Rijssen een nieuwe toegangsweg ontsluit, waar langs men Twente vanuit het westen zal binnentreden. Hierdoor ontstaat een nieuwe ‘Poort van Twente”. Nou, daar moest ik het dan mee doen.
Maar die eigenwijze burgemeester Smit zat er mooi helemaal naast, want toen die E-8 (nu: A1) tot op het grondgebied van de gemeente Wierden klaar was in 1975 liet de westerling tot twee keer aan toe Rijssen links liggen. Eerst bij Enter en daarna in de Grimberg. Het doorgaande verkeer kwam helemaal niet door Rijssen.
Smit wist van geen wijken: "Het spijt ons dan ook voor u, maar Wierden kan door zijn liggen ‘middenin’ Twente moeilijk met de Poort van Twente worden aangeduid”. Ik kreeg daarna nog even de gelegenheid om het met een ambtenaar uit te praten, maar dat leverde natuurlijk helemaal niets op en toen ik er nog ’s op aandrong om met de burgemeester te spreken, bleef het stil. 
 
Als Rijssen overal de slogan op kon zetten, dan ik ook. En zo bestelde ik een stempel met kapitale letters bij de opa van John Reterink aan het Burg. J.C. van den Bergplein. Precies op de plek waar in 1405 de tolboom, c.q. poort stond. Die stempel gebruikte ik te pas en te onpas. Vooral voor mijn eigen voldoening.
 
Toen in 1989 redacteur Wim Hesselink in zijn rubriek ‘Zeker Weten’ schreef: "Rijssen wel degelijk de poort van Twente” klom ik maar ’s weer in de pen en herhaalde mijn standpunt met als gevolg duplieken van Dick Smit (niet de burgemeester), G.J. Altena, W. Beijers, Gerrit Kraa en E.E. Engels. Als feuilleton werd het in het Dagblad van het Oosten gepubliceerd.
 
Waar het mij vooral in deze hele discussie omging was dat je als gemeente niet zomaar de slogan steelt van je buurgemeente. Het is net alsof nu één van de Twentse gemeenten aan de haal gaat met de slogans van de gemeente Losser 'Schatkamer van Twente', van de gemeente Oldenzaal 'Glimlach van Twente' of die van de gemeente Haaksbergen 'Ster in Twente'. Van een al jarenlang gebruikte en historisch onderbouwde slogan blijf je gewoon als buurgemeente af. Punt.
Ja, en natuurlijk past de slogan 'De Poort van Twente' ook bij veel andere plaatsen in Twente, maar Wierden was het eerst die hem gebruikte. En ook nog met een goed verhaal erbij!
 
Eindelijk belandde na decennia de slogan 'Rijssen, de Poort van Twente' in de prullenmand. Gelukkig.
Ach, ik had de strijd met Rijssen eigenlijk nooit kunnen winnen. Steun vanuit Wierden kreeg ik niet, zelfs geen reactie. Was ik dan de enige die zich hier boos om maakte? Heb je een prachtig historisch verhaal, laat Wierden dat gewoon van zich afpakken en doet daar helemaal niets mee. Voor mij echt onbegrijpelijk. Op de plek waar velen nu genieten van een lekker ijsje, zou je het verhaal van de tolboom én van de poort kunnen vertellen… 
 
Toen ik enkele maanden geleden in TCTubantia opnieuw de slogan gekoppeld aan Rijssen zag staan, mailde ik cartograaf Joop Voortman die in het artikel werd gevraagd uitleg te geven over de grenzen van Twente. Hij vond dat burgemeester Smit destijds wel erg zwakke argumenten had genoemd. Ook vond Voortman het niet fair om een slogan van een andere gemeente over te nemen. Wat was ik blij met zijn antwoord! En nog wel van een Rijssense stadsgids bovendien. Eindelijk kreeg ik in al die jaren voor het eerst een echt serieuze reactie!
Om mijn 'Poort van Twente-strijdbijl' te begraven, stelde ik een ontmoeting erg op prijs. Een afspraak was meteen gemaakt en zo gaven twee bevlogen lokale historici in een Rijssens restaurant naast de Schildkerk de hand.
Na 53 jaar, 7 maand en 10 dagen én dit artikel sluit ik deze discussie.
 

 
 


Sleppen

Een ‘Onverwoestbaar Oudejaarsgebruik’ kopte de Telegraaf in 1952 boven een artikel waar het ging over hoe de Wierdense jeugd op strooptocht ging rond de jaarwisseling. Terwijl velen in de kerk zaten en daarna het oudejaar etend afsloten met het ‘toafeln’ (met veel vlees) ging de dorpsjeugd al op verkenning uit en begonnen zij rond het middernachtelijk uur alles wat los en (een beetje) vast zat bij huizen en boerderijen weg te slepen.

Je kon het zo gek niet bedenken of het werd meegenomen: konijnen-, kippen- en hondenhokken, bankjes, hekjes, fietsrekken, straatnaambordjes, vlaggen, stoelen, vuilnisemmers, zelfs de luiken van de burgemeesterswoning en heel veel andere spullen die men vergeten was op slot te zetten. Ik herinner me dat bij ons thuis al vroeg in de avond een tuinhekje en de vuilnisemmer (‘asemmer’) naar binnen werden gehaald. Je kon immers maar nooit weten.
 
Menig boer stond de jongeren ’s nachts op te wachten met een hooivork. Desondanks werden tussen 11 en 2 uur vele boerenkarren, mestkarren, gierwagens, kruiwagens, tonnen en ladders als triomf naar de Markt gebracht. In een mist van kruitdamp, met een hels kabaal van ontploffend vuurwerk en tot groot vermaak zagen soms wel honderden mensen het gebeuren.
 
Vooral naar de Markt, maar soms ook naar de hoek van de Vossenbeldsstraat. En ik kan me herinneren ook op het grasveldje hoek Eerste Esweg-Jalinkstraat.
Het sleppen ging vaak door tot de vroege ochtend. Dat de jongelui door de politie werden gestoord, zag je op nieuwjaarsmorgen. Overal langs de wegen lagen goederen die men ter plekke had achtergelaten toen de politie iets te dichtbij kwam.
De eigenaren waren helemaal niet blij met al dat geslep. Zij waren er op de nieuwjaarsmorgen maar wat druk mee. Eerst uitzoeken en dan weer terugbrengen. Dit alles tot groot leedvermaak van de jongeren die zich in clubjes rondom de Markt verzameld hadden.
 
De politie probeerde tevergeefs een eind te maken aan deze traditie. De jeugd vond de strijd tegen de politie een soort sport. Soms werd het sleppen oogluikend toegestaan en mochten de jongeren rustig hun gang gaan om zo het avontuurlijke te ontnemen in de hoop dat hen de lust zou vergaan. Maar er waren ook jaren dat de Wierdense politieagenten Kamp, Rozenmöller en Hofman versterkt moest worden met manschappen uit omliggende plaatsen. Zij patrouilleerden in burger, zodat het extra oppassen was om niet te worden gesnapt. De jeugd kreeg met zoveel politie geen kans en nam een keer wraak. Toen op nieuwjaarsdag de Wierdenaren wilden kijken hoe laat het was, ontdekten ze onderaan de wijzerplaat van de Dorpskerk een grote pop als politieman.
Toch werden jongens wel ’s opgepakt en kwamen zelfs voor de rechter met straffen als gevolg.
Een keer ging het mis voor een Almelose aannemer. Die wilde zijn bouwplaats in Wierden beschermen en had de politie gevraagd om extra te patrouilleren. Dat lukte niet goed, dus de aannemer deed het toen maar zelf samen met zijn broer en een beveiliger. Hij had van een slang met aan het uiteinde een prop lood een gevaarlijk slagwapen gemaakt. Toen een groepje jongens probeerde een betonmolen weg te slepen, renden de drie mannen hen achterna. Eén jongen werd gepakt. Hij verzette zich stevig en liep verwondingen op waardoor hij 10 dagen niet kon metselen. De aannemer werd veroordeeld tot 15 gulden boete of 10 dagen zitten.
 
Ludiek was het plan van vijf jongens op oudejaarsavond 1951. Een paar waren rond half 12 de toren van de Dorpskerk binnengedrongen. Op de eerste verdiepingsvloer trokken ze het klokkentouw naar boven, verlengden dat met een meegebracht touw, sloegen een glas-in-loodraampje stuk en gooiden het lange touw door dat raampje naar buiten tot voor de buitendeur van de toren. Mocht hun daad opgemerkt worden, dan konden ze er snel vandoor. Een van hen stond met een fluitje op de uitkijk bij Meubelhuis Miel aan de overkant van de straat. Kort voor middernacht trokken de jongens wild aan het touw. Heel Wierden schrok op door het onafgebroken gebeier. Even later klonk het fluitje als teken van dreigend gevaar. De jongens stoven weg en zagen elkaar daarna op de afgesproken plaats. Op nieuwjaarsmorgen vertelden de jongens met enige trots dat zíj het geweest waren die de klok hadden geluid. Fotograaf Kolkman zette de jongens bij de torendeur op de foto en de dag erna stond de foto in de krant.
 
Deze in Wierden begonnen sleptraditie nam (gelukkig) geleidelijk aan af. Wel sloeg het over naar plaatsen in de omgeving. In Markelo liep het dit jaar flink uit de hand. Niet voor het eerst, maar nog nooit was het zo extreem. De Mobiele Eenheid werd zelfs ingezet.
 
Volksgebruik
Het kan zijn dat sleppen ontstond in de tijd dat puthaken van de gezamenlijke waterput werden weggenomen en ergens in bomen werden gehangen. Maar het zou ook te maken kunnen hebben met het verhaal van ‘Derk met ’n beer’. Voor kerstavond moest alles worden opgeruimd wilde men geen slachtoffer worden van deze Derk. Ouders waarschuwden hun kinderen om speelgoed goed op te ruimen om te voorkomen dat het speelgoed de volgende dag niet ineens was verdwenen.
Heidense Twentenaren meenden vroeger dat de overgang naar het nieuwe jaar gevaarlijk was en dat alle demonen erop uit waren om de jaarwisseling te doen mislukken of onmogelijk te maken. Iedereen zorgde daarom dat zijn erf goed was opgeruimd. 
 

 
 


Sunte Mart’n

Denk ik aan Sunte Mart’n in mijn lagere schooltijd, dan denk ik aan kou. Maar klopt dat wel, of is dat mijn gevoelstemperatuur uit een grijs verleden? De winters zorgden toen immers altijd wel voor bloemen op de ruiten en je had ook zo’n kriebelende wollen borstrok over je hemd en onder je warme trui aan.
 
Ik dook ’s in de weerstatistieken en ontdekte dat in die jaren Sunte Mart’n een gemiddelde temperatuur had van 3,5 graden. Kijk ik naar eenzelfde aantal jaren de afgelopen jaren dan is dat 10,4. Het klopt dus.
Dan zal het vast die 15e november 1965 zijn geweest die ik me nog als erg koud herinner. Zoals altijd ging ik ’s morgens heel vroeg. Mijn vader fietste dan naar zijn werk in Rijssen en ik ging samen met mijn broer Henk naar de markt. Het was nog donker. Maar tegen 8 uur, toen het licht begon te worden, gingen we al weer naar huis om ons te warmen bij de kolenkachel en daarna weer terug, winterjas aan, ijsmuts op (zo’n klassieke gebreide Ard en Keessie schaatsmuts), gebreide wollen das om, handschoenen aan, wanten, en met dikke wollen sokken in onze laarzen weer terug naar de koeienmarkt.
De volgende dag stond in de krant: "Het was bitter koud tijdens de traditionele Sint Maartensmarkt”. Die dag, de 101ste Sint Maartensmarkt, was de gemiddelde temperatuur - 4,1 graden! "Maar desondanks was de aanvoer goed”, stond erbij. Die aanvoer bestond dat jaar uit 998 koeien, 247 biggen en 3 schapen. "De handel was traag”, zo werd er nog bij vermeld.
 
Niets leuker dan voorpret. Je kon er allang naar uitkijken. Je hoefde niet naar school. De echte voorpret hadden wij als kinderen natuurlijk op de vrijdag voor Sunte Mart’n. Dan haalden de mannen van de gemeente wat klinkers of stoeptegels eruit en zetten in de grond een groene platte paal met bovenin een gat voor het dikke touw. Voor ons kinderen kon dat allemaal niet snel genoeg gaan, want we wilden allemaal bokspringen.
 
Ach, en de dag zelf was natuurlijk één groot feest. Kou deerde je dus niet. Je slenterde toch de hele tijd en dan bleef je vaak wel warm. Met je laarzen aan lopen tussen de honderden koeien en de stront door. En met je vriendjes uit de klas afspreken.
 
Zo’n koeienmarkt zorgde voor een heleboel stront. Wat een stro vermengd met mest bleef er ’s middags achter op de straten!! Fietsers slalomden om de koeienvlaaien en keken daarbij extra goed uit om niet te vallen in de plassen gier. Gelukkig kwamen de mannen van de gemeente gauw in actie, ook al stonden hier en daar nog wat koeien vastgebonden en te wachten tot ook zij werden opgehaald.
Sommige bewoners staken de handen uit de mouwen en hielpen mee met de schoonmaak. Op mijn foto zie ik hoe een inventieve Marktstraatbewoner een tuinslang vastmaakte aan zijn bezem en zo de straat voor zijn huis schoonveegde. De volgende dag moesten de paaltjes nog uit de straat worden gehaald en de gaten gevuld en beklinkerd. Dan wist je dat Sunte Mart’n echt voorbij was en je er weer een jaar op moest wachten.
 
Ach, dat mooie grijze verleden. Gelukkig maakte ik veel foto’s. Meerdere zijn elk jaar te zien op de grote spandoeken. Bijzonder is hoe bezoekers nu wijzen naar die foto’s en zich ook herinneren hoe het was.


 
 


Spoorbrug

Net als in Nijverdal waar de treinen zich een spoor banen door het Ravijn, was het in Wierden niet anders. Hier werd een ravijn gegraven dwars door de es.

Bijzonder is ook dat de spoorlijn evenwijdig aan de Nijverdalsestraat best wel hoog ligt, als op een dijk. Dat herinnert eraan dat het hier vroeger één groot moeras was waar het Wierdense Veld nog een overblijfsel van is. Als we toen wisten van het verhaal van de Nijverdalse goudzoekers in het Ravijn, dan hadden wij misschien ook wel net als daar gegraven in de hellingen, bijvoorbeeld daar rechts op de foto bij dat zand.

Wat speelden we hier vroeger toch vaak. We liepen ook wel naar beneden. We legden dan een muntje of zo op de rails. Lekker plat werd die, als je ‘m al terugvond, want meestal vloog het alle kanten op.Gevaarlijk om hier te spelen? Misschien wel, maar daar dachten we toen niet aan. We haalden het zeker niet in ons hoofd om risico’s te nemen. En ik weet haast wel zeker dat we nooit de machinisten van de blauwe engelen schrik hebben aangejaagd. We bleven altijd uit de buurt als ze er aankwamen. En treinen met stenen bekogelen, zoals vorig jaar zelfs op een dag twee keer gebeurde, kwam al helemaal niet in onze hoofden op.

Met Pasen lieten we er onze hardgekookte eieren naar beneden kuuln.

Vooral op zondagmiddag was het hier druk. Tijdens een wandelingetje even (of langer) gaan zitten. Menig verliefd stelletje trok zich terug in de dichte begroeiing aan de Nijverdalse kant van de spoorbrug. Stiekeme dingen gebeurden.

Spannend was het soms. Zo speelde ik daar ’s op een woensdagmiddag met mijn klasgenoot Daan. We troffen twee jongens op de vlucht aan. Zij probeerden zich te verstoppen tussen de struiken. We maakten een kort praatje. Het voelde niet lekker. Gelukkig werden deze twee jeugdige delinquenten  uit Maarsbergen dezelfde middag nog aangehouden door de politie. Zo las ik later geruststellend in de krant.

De brandweer werd met enige regelmaat opgeroepen om naar de Erve Meijerinksweg te komen, want de spoorwal stond dan in brand. Struikgewas hoog en laag over een lengte van wel 800 meter ging in vlammen op. Palen voor de telefoonkabels liepen daarbij ook wel eens schade op. Kwam het door het nonchalante weggooien van een sigarettenpeuk of werd met opzet het gras in de fik gestoken? De daders konden in elk geval nooit worden opgespoord.

In 1963 moest de spoorbrug worden verbreed. Dat gebeurde in verband met ruilverkavelingswerkzaamheden aan de Erve Meijerinksweg. De klus werd uitgevoerd door een bedrijf uit Sliedrecht. Ik kan me herinneren dat we bij ons thuis twee werknemers gedurende deze werkzaamheden onderdak gaven. Ik zal vast wel ’s gekeken hebben hoe hun werk vorderde.
In een oude krant las ik dat op een zaterdagmiddag de politie werd gewaarschuwd toen er een pony tussen de rails liep. De machinist had de pony op tijd gezien en zette de trein stop. Blijkbaar schrok de pony hiervan, want toen de politie arriveerde was hij al weer in de wei. De eigenaar kreeg een bekeuring.

Tegen het plan om de spoorwegovergang in de Looweg (voorheen Eerste Eschweg) eind jaren 60 van de vorige eeuw te sluiten, kwam veel verzet. Tevergeefs. Een loopbrug werd voorgesteld. Niet haalbaar. Wel kwam er een nieuwe weg naar de Violenhoek en konden bewoners zo gemakkelijk naar het dorp.

Met de aanleg van de Loonderesweg in 2006 kwam er een nieuwe spoorbrug naast de oude en kreeg het dorp aan de westkant een randweg richting het Hoge Hexel.
 

 
 


Woningnood

Wie in de jaren na de Tweede Wereldoorlog wilde trouwen, had niet meteen een eigen huis. Er was namelijk grote woningnood. Ook in Wierden. Er ging geen raadsvergadering voorbij of de woningnood kwam aan de orde.
 
De landelijke Woonruimtewet 1947 en de gemeentelijke Verordening Distributie Woonruimte moest de nood in Wierden (en overal in ons land) lenigen. In de Verordening was een artikel opgenomen dat "wie woonruimte ter beschikking heeft, is verplicht daarvan binnen drie dagen nadat deze beschikbaar is gekomen op een door B & W vastgesteld formulier bij hen aangifte te doen. Overtreding wordt gestraft met een geldboete van ten hoogste  f 300,-- of hechtenis van ten hoogste twee maanden”. De politie en ambtenaren van bouw- en woningtoezicht werden belast met het opsporen van overtredingen.
 
Wie een eigen huis met lege ruimtes had, werd door de gemeente gedwongen dat er mensen bij je in kwamen wonen. Alle beschikbare ruimtes moesten toentertijd worden benut.  Eerst  kregen huiseigenaren een aanzegging en dan korte tijd daarna belde de ambtenaar aan en sommeerde dat men binnen enkele weken het huis geschikt moest maken voor inwoning en dat men de leegstaande kamers moest verhuren. Wie dit niet zelf wilde regelen, kon zo maar onbekende huisgenoten gestuurd krijgen. Of men wilde of niet, het moest. Zo werd in Wierden en elders geprobeerd om de schaarse woonruimte te verdelen.
 
Ook werd er een "commissie van advies voor de vordering van woonruimte enz. samengesteld”. Hierin zaten behalve wethouder Ten Brinke nog vijf inwoners uit Wierden, Notter en Enter. In het gemeentelijk archief zag ik brieven van meerdere personen die hiervoor schriftelijk waren benaderd, maar gelijk een bedankbriefje terugstuurden met allerlei redenen. Ik vermoed dat de ware reden was dat geen buren, familie en kennissen wilden aangeven.
 
Via het gemeentelijk Woningbureau hoopte men ergens onderdak te vinden. Dat liet vaak lang op zich wachten. Niet zelden verloofden twee geliefden zich en bleven ze vervolgens zeven jaar verloofd, omdat ze geen eigen plek hadden. Zo moet het ongeveer ook gegaan zijn met mijn ouders. Zij trouwden in 1947. Zij konden het huis kopen van een weduwnaar aan de Tweede Kampsweg in toen nog Notter (nu Nijverdal). Zijn vrouw was kort daarvoor overleden. Bijzonder is wel dat deze weduwnaar nog twee jaar na de overdracht bleef inwonen bij mijn ouders. En daar zat je dan als pasgetrouwd stel met een vreemde man in de kamer. Dit had vast te maken met de gemeentelijke verordening dat er nog wel plek was in het huis voor nog iemand.
 
Zeker weten doe ik het niet, maar ik vermoed dat ook mijn schoonouders volgens deze verordening  inwoning kregen bij twee vrijgezelle broers aan de Vriezenveenseweg. Op de bovenverdieping was nog wel ruimte voor het pasgetrouwde paar. Op de overloop was provisorisch een keukentje gemaakt. Nadat er twee kinderen waren geboren, verhuisde de familie naar een houten huisje achter de woning. ’s Winters was het daar ijzig koud. Mijn vrouw ging als kleuter met gebreide handschoentjes aan naar bed. De volgende ochtend zat één handschoentje vastgevroren aan de buitenwand...
 
Voor zover mij verteld is, verliep hun inwonen gelukkig wel in goede harmonie. Het is nogal wat om in andermans huis te wonen met andermans regels. Je was nooit alleen. Je had nauwelijks enige privacy. Hoe leef je met elkaar om geen ruzie te krijgen? En dan worden er ook nog huilende baby’s geboren.
 
Wierden was in 1950 in percentages gezien de snelst groeiende gemeente in Twente. Deze cijfers noopten de gemeente tot het ontwikkelen van woningbouwplannen. In het Plan Erve Van Buuren werden in hoog tempo wegen aangelegd en huizen gebouwd aan de Prins Hendrikstraat, Jacobsonstraat, Jalinkstraat en Emmastraat. Ook mijn schoonouders kregen er gelijk een huurwoning. Zij konden eindelijk van hun krappe ‘woning’ aan de Vriezenveenseweg verhuizen naar een echt huis aan de Prins Hendrikstraat.

En wat is er sindsdien veel gebouwd! Grote Maat, Plan Oost, Stouwe, Hooilanden, Loo, Zuidbroek en meer. En dan al die appartementen in het centrum. Niet voor niets kopte de regionale krant begin dit jaar op de voorpagina: ‘Wierden regionaal kampioen woningbouw’. Goed bezig dus. Ga zo door en hou dit tempo vast om een eind te maken aan de nu al tachtig jaar durende woningnood.


 
 
 

Youth for Christ

Wie wat bewaart, heeft wat. Dat leverde bij mij een onderwerp op voor dit artikel. In één van mijn dozen met documenten en spullen vond ik de zwart-wit poster met daarop in dikke letters 'n dak voor 'n dikken. Allerlei herinneringen flitsten door mijn hoofd en ik dacht daarbij gelijk aan Johan ten Brinke. Die zou ik eens weer moeten ontmoeten. Zo gezegd, zo gedaan. En zo zaten we op een middag bij elkaar om ons grijze verleden in te kleuren.
 
Best wel een beetje nieuwsgierig was ik wel naar wat er op de vrijdag- en zaterdagavond in de Vrijzinnige Kerk (u weet wel, die kerk die niet afgebroken had mogen worden) aan de Warnaarsstraat gebeurde.
Een groep jongeren organiseerde daar elk weekend een gezellige avond met eigentijdse muziek. Door eigentijdse ‘preekjes’ probeerde men het Woord van God centraal te stellen.
Ik weet nog hoe een zanger zich begeleidde met gitaar en liedjes zong als die van Streets of London, maar dan met een Nederlandse vertaling in een christelijk jasje. Tussendoor kon je lekker kletsen met anderen van mijn leeftijd en was er een kopje koffie, thee of fris.
Bijzonder vond ik altijd hoe actief de organiserende jongeren waren in hun voorbereidingen. Ze hadden van die visnetten (zo seventies) opgehangen in de kerk. Het gaf een eigentijdse sfeer aan het onderkomen van YFC. Door de weeks was er een Bijbelstudie in de consistorie kamer.
YFC wilde voor jonge mensen een brug naar de kerken zijn. Hoe je afkomst ook was, je was welkom.
Maar elke week weer die netten en zo ophangen was toch wel een hele klus.
Geweldig was daarom ook het aanbod om gebruik te maken van de al jaren leegstaande boerderij ’n Dikken aan de Dikkensweg. Die had nog wel een flinke opknapbeurt nodig, maar de jongeren maalden daar niet om. Ze staken de handen uit de mouwen en wisten in korte tijd iets moois te maken van de eeuwenoude boerderij.
Er moest nog wel een nieuw rieten dak op. Een speciale actie werd op touw gezet. Je kon voor 25 of 50 gulden symbolisch eigenaar worden door een halve of een hele vierkante meter dak te kopen.
 
De deel van de boerderij was groot genoeg om veel jongeren te ontvangen. Koffiebar en streekcentrum Youth for Christ was in Wierden een feit.
 
Tot augustus 1993 toen door kortsluiting een uitslaande brand de hele boerderij verwoestte.


 
 

 
Kerst 

In oktober pakken tuincentra al groots uit om gretige en kerst minnende consumenten te lokken. In de winkelstraten worden de met led verlichte kerstversieringen opgehangen. Steeds meer zie je dat mensen op de  voorgevel van hun huis en in de tuin kerstversieringen met van die talrijke kleine lampjes aanbrengen. Hoe anders was dat toch vroeger? Een ieder heeft zo zijn eigen herinneringen.
 
De maand december is mijn hele leven al één feestmaand. Eerst het Sinterklaasfeest, halverwege mijn verjaardag en op het eind het Kerstfeest.
 
Op één van de dagen kort voor kerst gingen mijn zus en ik in de spoorwal op de Es op zoek naar wat leem. Op een rechthoekig plankje modelleerden we vervolgens deze homp. We knipten wat dennengroen op maat en staken dat erin. Drie witte kaarsen van middelgroot formaat maakten ons kerstbakje compleet. Het kreeg een plek midden op het dressoir in de voorkamer. Ook een flinke aardappel omwikkeld met zilverfolie was eenvoudig om te toveren tot kaarsenstandaard. (Jaren later zouden wij dit soort creativiteit nog vaak herhalen als leerkrachten.) Takjes dennengroen met daaraan hangend wat kleine zilverkleurige kerstklokjes kwamen vanachter de fotolijstjes, schilderijen en schemerlampjes aan de muur, maar ook hing je rode of witte papieren uitvouwbare kerstklokken op. En dan natuurlijk de kerstboom. Afhankelijk van de dagen waarop kerst viel, werd daags tevoren de boom binnengehaald en opgesierd met zilverkleurige piek en ballen. Het mooist vond ik de vogeltjes en de huisjes. In de kerstboom hadden wij geen lampjes, maar echte witte Gouda kaarsjes die zo’n anderhalf uur brandden. Ze werden zeer zorgvuldig in de boom gezet op van die kleine knijphoudertjes. Allemaal mooi rechtop. Erg brandgevaarlijk was het natuurlijk wel. En zeker ook met die witte wolkjes engelenhaar - die zo prikten en jeukten op de blote huid - die de boom echt af moesten maken. Het was dan ook niet voor niets dat we onder het tafeltje waar de kerstboom op stond een emmer water zetten. Gelukkig hebben we die nooit hoeven te gebruiken.
 
Een kerststal hadden we niet. Niemand overigens in onze hervormde familie. Pas heel veel jaren later kon ik de schoonheid ervan inzien en genieten van de meest prachtig uitgevoerde in gips gegoten of uit hout gesneden figuren en dieren en hoorde ik de verhalen dat eerst alleen de stal met de os werd neergezet. In de loop van december kwamen Jozef en Maria met de ezel en op kerstavond werd het kindeke Jezus in de kribbe gelegd en verscheen de engel. Daarna kwamen de drie wijzen.
 
De zondagsschool hield op de tweede kerstdag een kerstviering in de Dorpskerk. In de adventstijd leerde je de eerste twintig verzen van het Lucas evangelie uit het hoofd en ook andere bekende Bijbelteksten die naar het kerstfeest verwezen, moest je zonder te haperen kunnen opzeggen, want je kon in de stampvolle kerk naar voren worden gehaald om een tekst voor te dragen. Gelukkig sloegen ze mij over. Natuurlijk kwamen alleen die kinderen naar voren waarvan meester Ten Berge en juffrouw Izaks zeker wisten dat ze het goed kenden én durfden. Prachtig waren de vele kerstliederen en helemaal het grote boeiende kerstverhaal. Gewaardeerde traktaties waren de grote sinaasappels en de kerstboeken, zoals Kleine zwerver van W.G. van der Hulst en Het Kerstrapport van P. de Zeeuw J. Gzn. Dit laatste kinderboek heb ik voor dit verhaal uit mijn boekenkast gehaald en na zo’n zestig jaar opnieuw gelezen. Eén van de hoofdfiguren is een Hongaarse jongen die in 1956 naar Nederland vlucht, omdat de Russen zijn land binnenvallen…
 
En als je dan aan het eind van de lange middag uit de kerk kwam en naar huis ging, was het donker en herinner ik mij dat er grote sneeuwvlokken naar beneden dwarrelden.
 
Ik wens u fijne kerstdagen.
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 
Gait Klaas

"… Dat dorp van toen, het is voorbij. Dit is al wat er bleef voor mij. Een ansicht en herinneringen. …” zong Wim Sonneveld ooit. Voor mij slaat dit vooral op deze foto die ik een halve eeuw geleden maakte van de kiosk van Gait Klaas aan de Markstraat.
 
Veel oudere Wierdenaren bewaren herinneringen aan de blinde Gait Klaas. Het waren vooral rokers (en wie was dat toen niet?) die er hun genot kochten. Klaas had een ruim assortiment sigaretten, sigaren en tabak, maar hij verkocht ook koffie, thee en tabakspijpen.
 
Hij opende zijn kiosk in mei 1930. Met slogans als ‘Zoo klein de Wierdensche kiosk ook is, toch vraagt ge naar alle bekende merken niet mis’ en ‘Dit is een feit, bij G.J. Klaas (kiosk) Wierden koopt men kwaliteit’ kreeg Gait Klaas een flinke klandizie.
Een lichtbak van het toen bekende sigarettenmerk Hunter op het dak van de kiosk. Ha…! Hunter Heerlijk!                 
 
Ook kinderen kwamen vanaf het tegenovergelegen schoolplein de kiosk binnen. Vooral die kinderen die na schooltijd, maar misschien ook wel eens (stiekem) in het speelkwartier bij Klaas naar binnen gingen om er snoepgoed te kopen. Blindelings pakte hij dan de gewenste dropveter. Hij greep ook wel eens mis en zei dan "Ach, ach, ik zat er naast”.
 
Sunte Mart’n was natuurlijk een topdag voor Klaas. Rondom zijn kiosk stonden de koeien én de veehandelaren op klompen, met pet of hoed op, in hun lange stofjassen, met in de ene hand een wandelstok en in de andere hand een sigaar. Tijdens het handjeklap plakte de sigaar tussen de natte lippen. Vanzelf dat dan ook de rookvoorraad die dag moest worden aangevuld en ging men met de vieze klompen de kiosk binnen. Ik herinner me dat je op deze jaarmarkt ook losse sigaretten voor enkele centen kon kopen.
De opvallend witte kiosk van Gait Klaas was een gemakkelijk af te spreken plek op de zeer druk bezochte Sunte Mart’n.
Zeker op dagen als deze werd Gait geholpen door Riek Visser.
 
Als ik het goed heb, woonde Gait met zijn zwager Herman Meijer (koster Hervormde kerk en conciërge van de naastgelegen School met de Bijbel) en zijn twee zussen Jenneken en Gerritjen in het boerderijtje achter de kiosk.
 
De kiosk was een enkele keer het doelwit van dieven. Zo werd in 1970 om half vier ’s nachts met een steen een ruit van de sigarettenautomaat vernield. Circa 20 pakjes sigaretten werden meegenomen. De totale schade bedroeg enkele honderden guldens.
 
In oude kranten lees ik dat er rond de jaren 50 in Wierden rookwedstrijden werden gehouden. Die werden o.a. georganiseerd door de Vereniging tot bevordering van Algemene Ontwikkeling. Deze wedstrijden waren erg succesvol. Zo werd in café Wolters (t.h.v. nu Trias) een rookwedstrijd gehouden, waarbij iedere deelnemer één gezinslid mocht meenemen. Elke deelnemer kreeg een sigaar van dezelfde soort en wie het langst van die sigaar rookte zonder hem uit te laten gaan kreeg de eerste prijs. De prijzen bestonden uit … eendagskuikens. Op een teken staken de mannen tegelijkertijd hun sigaar aan en begon de rookwedstrijd. Om de langste as te maken leunden de mannen steeds meer achterover om hun sigaar verticaal te houden. In een oude krant las ik dat het "soms een zeer koddig gezicht was de deelnemers te zien manipuleren met hun sigaar en we geloven dat speciaal op het eind, toen het op millimeters aankwam, verschillende lippen beschadigd zijn”. De winnaar hield zijn sigaar 1 uur, 54 minuten en 39 seconden brandend. De langste as was van een andere winnaar, nl. 84,7 mm en de winnaar van de kortste peuk had nog 8,4 mm. over.
 
Het dorp had overigens nog een kiosk waar je tabakswaren kon kopen. Onder de grote prachtige eeuwenoude acacia naast Hotel De Zwaan en direct naast de smederij van Nieuwenhuis (nu De Smederije) stond de kiosk van Azem Louwes. Net als Gait Klaas was ook Azem Louwes blind. In 1957 hield deze sigarenkiosk op te bestaan.
Verder kon je in Wierden voor rookwaren goed terecht bij o.a. Woolderink tegenover het station en bij Maatkamp (later: Timmerman) bij de spoorwegovergang Nijverdalsestraat.
 
Gait (Gerhardus Johannes) Klaas overleed op 4 juli 1977 op 78-jarige leeftijd.
 

 
 


Vakantiebaantjes

Je bent tiener en je wilt wat bijverdienen. Dan ga je op zoek naar een vakantiebaantje.
Ik begon als varkenskoppensneller bij de firma A. Passchier & Zoon NV aan de Industrieweg 15. Dat dit werk mij niet beviel, hoef ik niet uit te leggen. Acht uur lang aan het eind van de lopende band staan om samen met een Italiaanse Dino een laatste restje snuit van de varkenskop te halen was nou niet bepaald leuk. Ik verdiende er 65 gulden in de week mee.
De oude Arie Passchier begon bij mij in de straat. Daar waar ooit bij slager Eshuis (later: kapper Henk Stam) het plan werd gesmeed om de grootste bankroof in ons land te plegen. Ik herinner me nog die keer dat ik daar als heel klein jochie liep en mocht helpen lossen. Ik kreeg er van ome Arie een dubbeltje voor. Ik was de koning te rijk.
Doorgaan als varkenskoppensneller zag ik niet zitten.
Gelukkig kon ik in mijn vakanties, maar vooral elke zaterdagochtend terecht op het postkantoor. Zes jaar lang was ik postbode en wat was dat mooi! Ik trad er bijna mee in de voetsporen van brievengaarder ‘Hendrik van de post’, de broer van mijn overgrootvader Derk Jan.
Directeur Seijdel nam mij als postbode aan.
Eerst moest je wachten tot de vrachtauto met postzakken rond 6 uur uit Almelo kwam. Ik hielp bij het lossen en zeulde de zware zakken naar binnen. Met een mes sneed je het touwtje om de zak los en stortte je de vele poststukken op de ijzeren tafel. De weinige pakketjes werden gelijk gesorteerd en in een grote kast gezet.
Op zaterdag had je de pech dat iedereen toen nog een bankafschrift kreeg. Vele stapels van die enveloppen en de overige poststukken verdeelde ik over de voorsorteertafels. Waren alle postzakken geleegd, dan moest ik de post voor mijn twee wijken Grote Maat ophalen bij de voorsorteerders. In de eerste jaren was het tweede gedeelte van de Grote Maat nog niet volgebouwd, maar dat veranderde gauw.
Hoewel er best hard gewerkt werd, maakten al die mannen veel lol. Prachtmannen waren daar bij: ’n Lang’n, Boertie, Bets en Jantje en zo meer. Steevast haalde één van hen elke maand de Playboy uit de banderol…Zo rond 8 uur waren we klaar met sorteren en pakten we onze fietstassen vol met flinke bundels post. Zeker in de mooie drukke decembermaand waren er zoveel dat we ze niet allemaal mee konden nemen. Die deden we dan in postzakken die ons werden nagebracht. Ik liet ze bezorgen bij het politiebureau aan de Plantsoenlaan en later bij Meier aan de Kastanjelaan.
Ik kon altijd lekker opschieten. (Ik loop er nog altijd flink vandoor.) Ik begon aan de Plantsoenlaan 52. En hield rond half 11 op aan de Grote Maatweg 1. Dan had ik zo’n 400 brievenbussen gevuld. Ik verdiende er zo’n 200 gulden per maand mee.
 
Mijn werktijd werd met exact 20 minuten ingekort toen in 1972 de donkergroene buitenbus met rood slotje werd geplaatst. Dit was natuurlijk een ordinaire bezuinigingsoperatie van de PTT. Die 20 minuten bleken nog te kloppen ook. Leuk verhaal is dat postbode A. bij de huizen de afstand tot de straat moest opmeten. Dat deed hij met een touw van 10 meter lengte. Hij kreeg problemen, nadat bleek dat zijn touw een keer nat was geworden en daardoor erg was gekrompen.
 
Even nog over het postkantoor aan de Stationsstraat. Bij de ingang dat mooie mozaïek van Hans Morselt (nu bij De Schakel), dan die grote kale hoge hal met een meerdere balies en rechts bij de ingang een telefooncel. Zo’n telefooncel zat ook daar waar zakenmensen met postbussen buitenom hun post konden komen ophalen.
 
Ach ja, ik bewaar hele mooie herinneringen aan de tijd dat ik postbode was.
 

 
 

  
Het Anker

Elke (oud-)Wierdenaar heeft zo zijn eigen herinneringen aan Christelijk Verenigingsgebouw Het Anker aan de Wilhelminastraat 28.
Mijn eerste herinnering is dat we er langs kwamen als we vanuit de School met de Bijbel naar de gloednieuwe gymzaal liepen. De opening van Het Anker was in maart 1962. In de beginjaren kwam ik er best wel vaak. Eén van de eerste keren zal zijn geweest eind 1962 toen ‘Fotojantje’ Kolkman op een middag voor de kinderen van de lagere scholen de dorpsfilm van Johan Adolfs vertoonde. Bijna iedereen uit het dorp kwam wel even in beeld. (Op YouTube is deze film nog steeds te bekijken).
 
En op de zaterdagmiddag. Fris gewassen en met schone kleren aan was dit mijn eerste zelfstandige uitje in het weekend. Veel verder dan de hal kwam ik niet. Hoefde ik ook niet, want ik kwam er voor het televisiekijken. Met nog een stuk of tien leeftijdsgenootjes keken we dan bijvoorbeeld naar Okkie Trooy. De serie ging over de uitvinder Okkie Trooy en zijn assistent Nono uit Kukelton. Okkie Trooy stond vooral bekend om zijn koffertje. Alleen als hij het koffertje openmaakte, zat deze vol met krentenbollen. Als een ander het koffertje opende, was het leeg. Okkie Trooy en Nono belandden per ongeluk op een andere planeet, waarna ze hun weg terug naar huis moesten vinden. De serie was van 1962 tot 1964 op de buis. En ik denk dat we in die tijd ook keken naar de avonturen van zwervers Mik en Mak. Hun belevenissen speelden zich af in het huisje van oma Tingeling op Het Kruispunt Der Vier Windstreken. Elke aflevering kwam er een nieuwe gast langs, die de dagelijkse gang van zaken flink verstoorde. Meneer Humdrum was te zien als de boosaardige buurman, wiens snode plannetjes zelden succes hadden. Mik & Mak was van 1963 tot 1963 op de televisie te zien.
Het tv-kijken was niet gratis. In een grote bak (was het een houten omhulsel van een oude tv?) deed je een dubbeltje en misschien later ook wel twee dubbeltjes of een kwartje in de gleuf bovenop. Dat waren leuke middagen.
 
Zeker niet leuk waren in mijn kinderjaren de rouwdiensten die in de grote zaal werden gehouden voorafgaand aan de begrafenissen van mijn opa, opoe en mijn ooms en tantes.
Wel weer leuk was de bruiloft van mijn neef en nicht op die historische vrijdag 22 november 1963 (de dag dat J.F. Kennedy werd vermoord). Ik beklom die avond voor het eerst het hoge podium en deed samen met de broer van de bruidegom een voordracht. We zongen: ‘En dat we toffe jongens zijn dat willen we weten, daarom komen wij overal’ waarop alle feestvierders uit volle borst met ons meezongen ‘Overal waar de meisjes zijn, daar is het bal’.
 
Toen de School met de Bijbel verbouwd werd, werden de leerlingen ondergebracht op de verschillende plekken in het dorp: in het Dienstgebouw tegenover de Dorpskerk, de consistorie van de Gereformeerde kerk én in de kale donkere ruimte onder het podium van Het Anker. Via een lange gang onder het gebouw kwam je er. Ik zat in het Dienstgebouw, maar voor een boodschap of op je verjaardag mocht je ook wel even naar de meester op die andere locatie en zo kwam ik daar ook.
 
In de jaren dat we thuis nog geen telefoon hadden, kon je om te bellen naar Het Anker. Rechts van de biljarttafel en de bar liep je naar de telefooncel. In de keuken werd de teller aangezet en kon je je gang gaan. Afhankelijk van het aantal tikken moest je een bedrag betalen. Dat deed je via het doorgeefluikje bij de telefoon.
Naast die telefooncel zat nog een klein vergaderzaaltje. Ik notuleerde daar tijdens de ledenvergaderingen van de Hervormde A.R. Kiesvereniging (nu: ChristenUnie).
 
Het Anker zorgde voor veel uitgaansplezier. Ik herinner me de jaarlijkse toneelavonden van de PJGO en de CJBTB. De amateurs speelden de sterren van de hemel. En met wat geluk had je nog een prijs gewonnen bij de verloting.
Toen ik trouwde hielden we feest in Het Anker. Daags na de bruiloft rekenden we de kosten af. Flessen met alcoholische dranken die niet leeg waren, kregen we mee.
Voor feesten en feestjes kwam ik nog vaak terug. Het was er altijd goed, zeker vanaf de tijd dat Nico Griffioen de zaak beheerde. Telkens waren er de sfeervol ingerichte zalen én de goede bediening.
De herinneringen aan Het Anker bewaar ik. Ze blijven mij dierbaar.
 
 
 


Pannenjan

Voor galanterieën (en speelgoed) kon je vroeger in Wierden bij meerdere zaken terecht. Veur ’n kado noar Höften too (Rijssensestraat 4) en Wed. Van den Broeke (Stationsstraat 2) waren misschien wel de bekendste en zij hadden zeker hele mooie etalages. Maar je kon ook naar Pannenjan. Die had geen etalage.
Pannenjan, venter in huishoudelijke artikelen, was roemrucht in Wierden. Iedereen kende deze markante koopman/handelaar aan de Nijverdalsestraat 42. Daar waar nu de Bongerd aansluit op de Nijverdalsestraat.
In mijn kinderjaren kwam ik er wel ‘s. Vooral zo aan het eind van het jaar. Als er weer nieuwjaarskaarten verzonden moesten worden. Er stond dan midden in zijn kleine winkel een bak met van die goedkope kaarten waaruit je dan kon grabbelen. En ik kocht er ook wel ‘s wat vuurwerk. Nee, niet van dat vuurwerk wat tegenwoordig gangbaar is. Ik kocht er van die piepkleine rode rotjes aan een streng. Mijn leeftijd was er dan ook naar. Die tientallen rotjes peuterde je uit elkaar en zo kreeg je er een heleboel i.p.v. dat ze na één keer afsteken allemaal afgingen.
 
Bij Pannenjan kon je terecht voor heel dingen. Je kon het eigenlijk zo gek niet bedenken of hij verkocht het. En anders zorgde hij wel dat je het kreeg. Soms gloednieuw, maar ook wel eens met een kras of een deuk. Zo verkocht hij bijvoorbeeld wasmachines en centrifuges, maar vooral natuurlijk pannen in vele kleuren en maten. Als jochie kon ik mij niet bedenken dat ooit mijn schoonvader oom moest zeggen tegen Jan Noltes. Daardoor kreeg ik later in mijn familie meer te horen over deze bijzonder wondere Pannenjan.
Zo had mijn schoonmoeder een keer een nieuwe wasmachine nodig. Pannenjan had er wel één voor haar. Zij stond er op dat die op een avond thuis gebracht werd, zodat niet de hele buurt van haar koop met deukje getuige was. Ook vertelde mijn vrouw dat ze als klein meisje op nieuwjaarsdag een bezoek bracht aan ‘oom Jan en tante Ester’. Oom Jan haalde uit zijn altijd goed gevulde portefeuille een rijksdaalder (!) en gaf die aan haar, maar dan moest ze wel bij hem op schoot voor een kusje.
 
Pannenjan was goedlachs, goed gehumeurd en altijd in voor een grap. Zo wilde een vrouw op de Rijssense markt van hem een pan kopen met een deukje. Zo’n pan had hij dit keer niet in zijn kraam, maar hij wilde best ter plekke een deuk in één van zijn pannen te slaan.
 
Veel Wierdense middenstanders (en hun zonen) zaten bij het vrijwillige brandweerkorps. Die konden gemakkelijk vanuit hun werk voor een brand worden opgeroepen. Ze woonden namelijk dichtbij de brandweerkazerne in het dorp. Zo was ook Pannenjan brandweerman. 
 
Of het waar is weet ik niet, maar ik meen gehoord te hebben dat hij bij de muziek de grote trom sloeg. Het zou goed kunnen. Hij was er zeker de man naar.
 
Pannenjan was gek op auto’s. Hij wisselde regelmatig van bestelauto (Chevrolet, Volkswagen bus, Ford Thames en zijn Taunus venterswagen) en bood die te koop aan in advertenties in de krant. Vele kilometers reed hij om zijn handelswaar te vervoeren. Wat zal het hem zwaar zijn gevallen toen hem in 1935 voor zes maanden de bevoegdheid om zijn motorrijtuig te besturen ontzegd werd.
Helaas werd dat autorijden hem uiteindelijk fataal. Op 18 april 1970 botste hij op de Wierdenseweg in Enter met zijn bestelauto tegen een met zand beladen vrachtauto. De bestuurder van die auto was wel uitgeweken in de berm, maar kon de botsing met Pannenjan niet voorkomen. De bestelauto werd naar de andere kant van de weg geslingerd en kwam bij een huis tot stilstand. In zorgwekkende toestand werd Pannenjan uit de totaal vernielde auto gehaald. De dag erna overleed hij, daags voor zijn 75ste verjaardag.
 
Enkele jaren later werd zijn huis en winkel aan de Nijverdalsestraat gesloopt. Begrijpelijk, want aan de voorgevel hing al jaren het bordje ‘Onbewoonbaar verklaarde woning’.
 

 
 


Weerzien met juffrouw Kesselring

Wat doe je als je met iemand hebt afgesproken die je 58 jaar niet hebt gezien? Wel, nog een keer afspreken. Dat overkwam mij deze zomer. Bij ons eerste weerzien raakten we niet uitgepraat en dus ontmoette ik twee keer in korte tijd Ilse Kesselring. In een grijs verleden was zij bij ons thuis in de kost. Ze was juffrouw van de school met de Bijbel op kamp Vossenbosch.
 
De eerste keer ontmoette ik Kesselring in haar Enschedese appartement vol met prachtige tastbare herinneringen. Ze reisde de hele wereld rond. Ze werd geboren in Malang op Java. Deed de kweekschool in Nederland en vertrok naar Nieuw Guinea. In de strenge winter van 1963 vernam ze dat ze juf kon worden op de school van de Vossenbosch. Daar had ze wel zin in, maar dan moest het nog wel eerst zomer worden. In augustus kwam ze naar Wierden. Wij hadden al ’s eerder een juf van de Kluinveenschool in de kost gehad en dus werden mijn ouders gevraagd of Ilse Kesselring bij ons kon inwonen. En zo gebeurde. Op haar Vespa scooter reed ze dagelijks naar de school met haar Molukse leerlingen. Zij had de eerste klas. Ze kon het goed vinden met de kinderen én hun ouders. Regelmatig ging ze ook op bezoek. De hoofdmeester vond zo’n bezoek flauwekul. Je hoorde alleen te gaan als een kind straf had gehad. Niet raar dus toen ze een keer bij ouders kwam en zij zich in het Maleis afvroegen: "Wat doet dat mens hier?”. Daar gaf ze tot verbazing van de ouders een keurig antwoord in het Maleis op. Ze kwam om kennis te maken en te praten.
 
Nou, praten kan Kesselring nog steeds als geen ander. Ze kan putten uit de vele verhalen uit haar boeiende leven.
Wat ik al heel bijzonder vond toen ze bij ons woonde, was haar zweefvliegen op Vliegbasis Twenthe. Geen weekend sloeg ze over om met haar scooter van Wierden naar Enschede te rijden en dan daar het luchtruim te kiezen. Uiteindelijk vloog ze 45 jaar en maakte ze wel een paar duizend starts. En nog steeds is ze bij de Twentsche Zweefvlieg Club te vinden, maar nuvooral om voor de gezelligheid een praatje te houden.
 
Kesselring bleef tot de zomer van 1965 verbonden aan de Vossenbosch. Wij namen afscheid van haar en sindsdien heb ik haar, tot dit zomer dus, niet weer gesproken. Ze vertrok naar internationale scholen in Iran, Trinidad en Nigera om na enkele jaren weer terug te gaan naar Twente. Aan de mytylschool van Het Roessingh in Enschede bleef ze tot haar pensioen werken.
 
Ze had gehoord van Monument Vossenbosch, maar ze had het nog niet gezien. Reden voor mij om haar uit Enschede op te halen en het te bezoeken. Voor we daar waren, reed ik nog even met haar door de Molukse wijk met straatnamen die herinneren aan het verleden. Mooi dat er een onderschrift is. Zo lazen we wie Chris Soumoukil, Martha C. Tiahahu en Pattimura waren. Natuurlijk reden we door de Eerste Esweg en stopten we bij ‘ons oude huis’. "Daar rechtsboven was jouw kamer”. Ze werd bij ons thuis altijd "juffrouw” genoemd. Ze herinnerde zich hoe er met Pasen een schaal vol eieren op tafel stond. "Neem nog maar een eitje, juffrouw.” Maar ze had genoeg aan twee.
We reden de Hexelseweg op en parkeerden de auto op de Oude Zwolseweg. Daar bij Monument Vossenbosch kwamen de verhalen naar boven. Precies zoals kunstenaar Okke Weerstand het bedoeld heeft. Op de maquette zochten we de school op. Het was even oriënteren, maar al heel gauw gingen de gedachten terug naar toen. Het was ’s winters steen- en steenkoud in school. Stiekem ging ze ’s avonds wel ‘s even terug om de kachel iets aan te zetten en dan was het ’s morgens lekker warm. Met "Ik vond het leuk om hier te werken” en "Dit monument hebben de Molukkers verdiend” liepen we weer terug naar de auto. Als afsluiting van dit bijzondere dubbele weerzien lunchten we op een terras in het dorp. Er was immers nog zoveel om over te praten. Het waren al met al twee onvergetelijke ontmoetingen.
 

 
 


In mijn podcast ‘De verhalen liggen op straat’ het gesprek met Ilse Kesselring bij Monument Vossenbosch.
 
 
Spoorwegovergang Nijverdalsestraat 

Eigenlijk een krankzinnige kruising. De kruising van de Nijverdalsestraat met de Eerste Esweg was er eerst. Daar kwam in 1888 de spoorlijn Almelo - Deventer ineens diagonaal overheen. Levensgevaarlijk! Vier slagbomen moesten het verkeer uit vier richtingen afsluiten. Je kon hier wachten op verkeersgevaarlijke situaties, al dan niet in combinatie met het treinverkeer. Sowieso gebeurden hier nog al eens wat ongevallen. Ik heb er enkele in heel oude kranten opgediept.
 
Zo sloeg ’s een paard op hol. De boer probeerde het paard te houden, werd daardoor zelfs nog een eind over straat meegesleept. Het paard sprong over een neerliggende afsluitboom heen, net toen een trein naderde. Door gauw de andere afsluitboom omhoog te doen, kon het paard de trein ontwijken. Verderop in het dorp werd het paard staande gebracht.
 
Ook vroeger had men wel ’s haast, zoals de bestuurder van een met kunstmest geladen vrachtauto. Hij wilde net nog doorrijden toen de spoorbomen werden neergelaten. Eén van de bomen bleef achter de laadbak haken en werd de spoorlijn opgetrokken. De laadbak werd opengerukt en een boel kunstmest kwam op de rails te liggen. De naderde trein moest daarom stoppen en enige tijd wachten.
 
Automobilisten zorgden voor levensgevaarlijke situaties, maar ook wel eens de spoorwegwachter. Hij was een keer nalatig geweest bij het tijdig neerlaten van de spoorbomen. Hij kreeg een geldboete van 400 gulden.
 
Een andere keer gingen de bomen te vroeg open, zoals die keer toen een lijnbus van de WATO aan een groot gevaar ontsnapte. De bus had gewacht voor de trein en toen de bomen opengingen reed de chauffeur door. Vlak voor de rails schreeuwde een passagier: "Er komt een trein aan!” De chauffeur remde meteen. Op dat moment raasde de sneltrein langs de voorbumper. Tegelijk gingen de bomen weer neer. De bus reed terug waardoor de spoorbomen het dak van de bus raakte. De spoorwegwachter werd duidelijk onoplettendheid verweten. Maar goed dat er tegenwoordig borden staan: "Wacht, er kan nog een trein komen.”
 
Een andere keer greep juist de spoorwegwachter op tijd in en redde zo iemand van een wisse dood. Een bromfietser raakte hier op de spoorwegovergang gewond bij een botsing met een auto. Hij bleef liggen. De spoorwegwachter liep direct de naderende trein tegemoet en wist hem op tijd tot stilstand te brengen. Eigenlijk was het een heel complex ongeluk. Een bestelauto botste op een personenauto. De bestuurder van de bestelauto werd uit zijn wagen geslingerd (je had toen nog geen gordels, laat staan een air back). De auto reed zonder bestuurder door en botste tegen de bromfietser om vervolgens in de sloot tot stilstand te komen. Toen de bromfietser op de spoorlijn bleef liggen, was er net een trein in aantocht. Dankzij de snelle reactie van de spoorwegwachter werd de bromfietser niet door de trein overreden.
 
De spoorwegwachter was hier ook verantwoordelijk voor de spoorbomen in de Derde Esweg. Omdat die overgang 400 meter verderop lag en ook nog na een bocht, had hij geen zicht op het kruisende verkeer daar. Zo kon het gebeuren dat een buurtbewoner met zijn vrachtwagen klem kwam te zitten tussen de overwegbomen. Tevergeefs probeerde de man nog wat te doen aan deze benarde situatie. Gelukkig liep het goed af. De man liep een shock op, de vrachtauto raakte zwaar en de trein licht beschadigd.  Onderzoek wees uit dat de stopverlichting van de overwegbomen niet werkte.
 
Niet alleen automobilisten ontsnapten hier aan de dood, ook fietsers raakten hier in benarde nood.
Ook als er even geen treinen aankwamen, zat een ongeluk in een klein hoekje. Bijvoorbeeld die keer toen een automobiliste vanuit het Loo de Nijverdalsestraat wilde oprijden. Zij zag een wielrijder over het hoofd en verleende geen voorrang. De fietser kwam op de motorkap terecht. Gelukkig hield die er slechts een onbeduidend snijwondje aan de hals aan over.
 
Er gebeurde dus hier nog wel ’s wat. Als kind uit de Eerste Esweg herinner ik mij hoe vaak wij ons hier ophielden. Dan zaten we op het muurtje voor de tabaks- en chocolateriewinkel van Maatkamp (later Timmerman). We telden de passerende auto’s. Wie telt de meeste Opels en wie de meeste Fords? Het was heel gewoon dat auto’s een flinke tijd voor het spoor moesten wachten. Met een lange file als gevolg. Vaak wel tot voorbij het café van Hek. Zeker aan het eind van de middag. Menig wachtende automobilist ging dan gauw bij Maatkamp naar binnen voor een pakje sigaretten. (Trouwens, ook ik haalde er sigaretten en sigaren. Niet dat er bij ons thuis werd gerookt, maar voor die keren dat al mijn stug rokende ooms bij ons op verjaardagsvisite kwamen en de North State’s en de dikke Elisabeth Bas in glazen op tafel stonden. Alle overgebleven sigarenbandjes deden de volgende dag mijn rode, jeukende, waterige ogen vergeten.) En als die auto’s dan toch hier zo lang stil stonden voor de spoorbomen, dan deden we wel ’s voor onszelf een heitje voor een karweitje. Voor het wassen van de voorruit kregen we een kwartje of zo.
 
Er was bij deze spoorwegovergang altijd wel wat te beleven. Je verveelde je er niet gauw. Soms ging je binnenkijken bij de spoorwegwachter in zijn huisje. Aan de dienstregeling in zijn boekje kon hij zien wanneer hij de spoorbomen weer omlaag moest laten. Die aan de Derde Esweg liet hij volgens mij ook wel ’s langer dicht dan nodig was. Wachtend op weer de volgende trein.
 
Beginjaren 60 kon het verkeer vanuit de Eerste Esweg niet langer meer deze kruising oprijden. Nog wel vanaf het Loo, maar ook dat was enkele jaren later niet meer mogelijk. Dat verbeterde aanzienlijk de veiligheid op deze kruising en helemaal toen ook de spoorbomen 100 meter verderop bij de spoorlijn Wierden - Nijverdal verdwenen. Dit overigens tot zeer groot ongenoegen van de bewoners aan de Looweg.
 
Het kwam wel ’s voor dat de overweginrichting niet werkte. Met enig gevaar slalomden de automobilisten over het spoor, al dan niet onder politietoezicht.
 

 
 


Speeltuin 'Kindervreugd'

Meteen na de oprichtingsvergadering van het voorlopig speeltuin comité in zaal Beukers was er eind jaren 50 veel animo. De vereniging startte met bijna 100 leden! De naam ‘Kindervreugd’ was gauw gevonden. En zo werd voor deze kinderen op het ruim 4000 m2  terrein aan de Jacobsonstraat een speeltuin ingericht. De speeltuin moest vooral gezien worden "als ontspanning voor de kinderen en ze kan veel bijdragen tot de geestelijke vorming van de jeugd”.
 
Eerst was er de aanleg van een 350 meter lang rolschaatscircuit. Wierden was trots op deze eerste rolschaatsbaan in Twente, die betaald was door het plaatselijk bedrijfsleven. Bij een naderende vorstperiode werd de baan onder water gezet en was er heel veel schaatsplezier.
 
De organisatoren van Sunte Mart’n namen in hun amusementsprogramma een skelterrace op. Een primeur voor Overijssel. Initiatiefnemer was Dolf van de Broeke. De wedstrijden werden verreden onder auspiciën van de KNAC. Maar liefst 50 machines deden mee in de categorieën 50 cc, 100cc 125 cc en 200 cc. Er werd gestreden om de Grote Prijs van Overijssel. Door de deelname van Amerikaanse militairen kreeg de wedstrijd zelfs een internationaal karakter. De races trokken enorme belangstelling. Naar schatting waren er zo’n 2000 bezoekers. De coureurs raasden met hoge snelheden door de met strobalen beveiligde bochten.
 
Het speeltuin comité was enthousiast en bruiste van de ideeën. Zo nam men de organisatie op zich om een groot Paasvuur in de Grote Maat te bouwen.
 
In 1961 was de speeltuin zover ingericht dat het officieel geopend kon worden. Voor het doorknippen van een lint was mevrouw Maaldrink gevraagd. Samen met de 6-jarige Dianneke Elfers knipte zij het lint bij de ingang door. Van Ineke Mulder kreeg de burgemeestersvrouw een boeket bloemen. Daarna konden de 350 met feestmutsen en vlaggetjes getooide kinderen de wippen, schommels, klimboom en rolschaatsbaan uitproberen. Feestmuziek was er van de Wierdense Harmonie én van een draaiorgel. Alle kinderen kregen enkele versnaperingen aangeboden.
 
In de beginjaren 60 werden flink veel huizen gebouwd aan de Jacobsonstraat, Jalinkstraat en ook aan de nieuwe Emmastraat en Prins Hendrikstraat. Geen wonder dat het ledental sinds de oprichting groeide tot meer dan 200 leden met zo’n 350 kinderen. Ook waren er 170 donateurs. De gemeente stond garant voor maximaal duizend gulden per jaar. Het bestuur had nog wel een wens, n.l. een gebouwtje. Ook was er het idee om in de onmiddellijke omgeving van de speeltuin een nieuwe muziektent te plaatsen.
Eén van de grote sponsoren was de Wierdense Slachtproductenhandel. Directeur Van Boven zag "in het oprichten van een speeltuin een beveiliging van de kinderen tegen verkeersongevallen en zedenmisdrijven en het kweken van eensgezindheid onder de jeugd”. In de zomer van 1962 gaf de Wierdense Harmonie een concert in de speeltuin. Dat deden ze vanuit de nieuwe door de gemeente aangeschafte verplaatsbare muziektent. (De oude muziektent moest wijken vanwege de bouw van ’t Anker.) Ondanks het prachtige weer, was de opkomst zeer gering. Wel was de jeugd in grote getale aanwezig. Helaas waren de jongens en meisjes vrij rumoerig, zodat veel van de goede muziek verloren ging.
 
De familieschommel was favoriet. Een enkele keer ging het mis, b.v. toen een 7-jarig jongetje uit de Eerste Esweg met zijn arm achter de schommel bleef hangen. Hij brak zijn rechterbovenarm.
 
Bijzonder was dat er toen altijd een beheerder aanwezig was om toezicht te houden. De kleuters speelden links en de oudere kinderen rechts. Het bestuur organiseerde veel. Zo ook de Palmpasenoptocht. Kinderen liepen achter de muziek aan in een optocht door het dorp. Na afloop werd een eierzoek wedstrijd gehouden. In de loop der jaren is deze speeltuin veranderd. Veel toestellen zijn vernieuwd. Wat bleef is de rolschaatsbaan.
Overigens is déze speeltuin lang niet meer de enige in het dorp. Overal verrezen in de wijken mooie speeltuinvoorzieningen.


 
 

 
 Jansen

"Wie goat noar Jansen hèn”, kon je tot 40 jaar geleden nog vaak horen zeggen in het dorp. Voor de één was dit horecabedrijf aan de Rijssensestraat 2 een plek waar je met je vrienden afsprak om elkaar te ontmoeten, voor de ander om er een lekker ijsje te halen.
 
Ja, want het ijs van Jansen was beroemd. En niet zo gek. Immers met het verkopen van ijs waren ze in de jaren 50 al mee begonnen. Terwijl Gees Jansen zomers vanuit het loket aan de zijkant van het huis ijs uit de diepvriezer verkocht, was Jan Jansen dagelijks heel erg druk in de weer met zijn eigen vrachtwagen en met het halen en brengen van wasgoed voor zijn chemische wasserij ‘De Nijverheid’. En tussendoor bezorgde hij voor Miel meubels, voor Schumer piano’s, voor Heutink schoolartikelen en deed hij verhuizingen.
Maar dat lekkere ijs smaakte naar meer. Daarom werd het oude huis afgebroken en werd in 1959 een heuse moderne ijssalon gebouwd. Daarboven ging men wonen.
 
Langzamerhand kwamen ook de twee dochters en hun echtgenoten in de zaak. Schoonzoon Wietse behaalde in korte tijd alle vereiste middenstands- en horecadiploma’s.
 
De ijssalon voor onder meer sorbets, koffie, thee en limonade werd midden jaren 60 uitgebreid met een snelbuffet. Die uitbreiding van de keuken was hard nodig. Er moesten immers drie gezinnen van bestaan.
 
Velen uit Wierden bewaren aan Jansen nog steeds goede heerlijke ijsherinneringen. Ook ik. Toen een ijsje nog een dubbeltje kostte.

Achter kwam een zaal voor feestjes en Dansschool Reiners uit Goor gaf er op de winteravond dansles.
Het ging goed met Jansen en daarom hield Jan op met zijn was bestellingen en zijn vracht rijden.
 
De ambities van de familie waren hoog en zij begrepen als geen ander dat je moet blijven vernieuwen. Voor hun nieuwe uitdaging werd midden jaren 70 een flink stuk grond gekocht achter de zaak. Hier moest een kegelbaan komen. Het was de eerste in Twente waar de kegels geautomatiseerd op hun plek werden teruggezet en de ballen na de worp vanzelf terugrolden. Burgemeester Lieuwen en zijn vrouw openden deze mooie aanwinst voor het dorp. Uniek toen was ook het concept om rondom het kegelen een warm en koud buffet aan te bieden en helemaal in de vorm van fondue en grill. Zo probeerde de familie de concurrentie voor te blijven. Onder de kegelbaan was een zaal voor feestjes met groepen van zo’n 70 personen.
 
In de ijssalon van weleer kon je goed zitten. Er was een Wurlitzer jukebox waar je voor een kwartje jouw favoriete zwarte vinylplaat kon laten horen. Drie minuten later lustte hij wel weer een kwartje voor een volgend nummer. Ondertussen dronk je een biertje of iets sterkers. En dan met wat bitterballen erbij, kon je avond niet meer stuk met zoveel gezelligheid. Hoewel Jansen er een bescheiden bar had, was het duidelijk toch geen café. De familie had nog steeds de smaak goed te pakken en bouwde de zaak uit tot een sfeervol specialiteitenrestaurant ‘De Kleine Ruit’.
Toen bleek dat verdere ambities van de familie niet haalbaar meer waren, namen anderen de zaak over en uiteindelijk kwam er een eind aan decennialang Jansen. "We hebben er een prachtige tijd gehad”, zegt levensgenieter Wietse nu.